‘Wat doe je daar eigenlijk?’, vroeg een jongeman die nieuwsgierig om de hoek van het Troosthuisje kwam kijken. ‘Troosthuisje? Het lijkt wel iets religieus.’ ‘Nou, weet je’, zei ik. ‘Ik zit hier in dit huisje en wacht op mensen die hun verdriet, hun leed met mij willen delen zodat ik ze kan troosten middels een gedicht. Kom maar even binnen kijken wat ik aan gedichten heb liggen.’

Door Boudewijn Betzema, troostdichter

Het is augustus 2016.

De jongeman vraagt verder: ‘Ja, oké, maar wat doe jíj daar dan, in dat Troosthuisje?’

‘Ik luister en luister, en stimuleer mensen hun verhaal te vertellen. Er komen hier mensen binnen die vol verdriet zijn, of met bitterheid, of met vragen hoe dingen aan te pakken. En nee, ik ben geen therapeut, of doorverwijzer, maar ik kan wel helpen met een gedicht, zoals ik al zei.’

‘Zo zijn er per dag wel drie of vijf mensen die met iets heel persoonlijks hier binnen durven komen. Ik probeer te verstaan, te begrijpen en soms spiegel ik terug. Weet je wat het is? Ik moet zelf durven openstaan voor wat er op mij af komt. Dat is denk ik het belangrijkste. Geen vooroordeel hebben wanneer iemand iets vertelt. Het is en blijft zijn of haar verhaal en ik probeer op mijn manier zo te troosten. Het is een wonder, tot nu toe is er nog niemand teleurgesteld weer weggegaan.’

‘Wauw, het is wel gaaf werk wat u doet!’

Nieuwsgierig op weg

Wat als een experiment begon, blijkt aan een grote behoefte te voldoen. Troostdichter zijn op een heel mooi plekje in Zwolle! Die ochtend in augustus van 2016, bijna een jaar geleden, ging ik met nieuwsgierigheid op weg. Wat zou er gaan gebeuren? Misschien wel niets. Boeken mee, gedichtenopschrijfboekje mee, eten en drinken.

Kwart voor tien kwam ik aan, de boel in orde maken. En: koffie!

De eerste ontmoeting was daar! Een mooi, ontroerend en open gesprek, en gelukkig was de diversiteit aan gedichten in het troosthuisje groot genoeg om telkens iemand te kunnen voorzien. Kort daarna de volgende ontmoeting en gedurende de dag volgden vele kleine korte, leuke momenten met allerlei mensen groot, klein, oud jong. Daar bij het Schoenkuipenbrugwachtershuisje bij De Turfmarkt aan het Almelose kanaal.

Terugkijkend ben ik ontroerd

Wanneer ik mijn korte aantekeningen van achterliggende Troostdagen opnieuw lees, voel ik ontroering. Over de vele korte en langere ontmoetingen met al die mensen die, hoe je het ook bekijkt, een moment van troost, bemoediging, aandacht vroegen én ontvingen! Dat gaf mij energie en ongelooflijk veel zin om met dit werk door te gaan.

Neem nou dat moment dat ik met een dame in een ontroerend en ernstig gesprek zit. Aan de overkant van de straat komt een man met een krat lege bierflesjes aanlopen en roept: ‘Hé Troostdichter, heb je een kort vrolijk gedicht voor mij?’ Ik loei spontaan naar de overkant mijn eigen kleine lijfgedicht:

de dag staat wijd open
strooit handen vol licht
zet de luiken maar open
en kijk zielsgericht
kom mee we gaan lopen
tot de dageraad dicht

De man straalt van oor tot oor en roept ‘Bedankt, dichter!’ en sjouwt weer verder. Zo’n lekker momentje van diep gelukkig zijn.

Iedereen gelijk of gelijkwaardig?

Of wat er later gebeurde:

Hij stond ineens in de deuropening van het Troosthuisje. Een jonge god rossig haar een mooie volle baard en heldere lichtblauwe ogen.

‘Ik voel me gediscrimineerd’,  zei hij. ‘Nee, niet omdat ik een donkere huidskleur heb of oosters uiterlijk, ik ben een oer-hollander, zeg maar. Maar ik voel mij door m’n ouders gediscrimineerd. Ik vind dit een afschuwelijke gedachte. En nu vind ik dit Troosthuisje zomaar op mijn pad! Mijn ouders gaan ervan uit dat een ieder in het gezin gelijk is, dus ik ben gelijk aan mijn vader en mijn broer. Daar valt ook thuis niet aan te tornen. Maar Het Klopt Niet! Zowel mijn vader als mijn broer zijn beiden autistisch. Maar ik niet, dus je moet mij anders behandelen.’

De jonge god leed eronder bleek uit het gesprek. Samen ontdekten we dat je het misschien anders zou kunnen verwoorden. Ik vroeg hem: ‘Wat vind je van het woord ‘gelijkwaardig’?’

Hij woog het woord en knikte bedachtzaam. ‘Klinkt beter!’ En we gingen verder: ‘Jij en ik zijn absoluut anders, maar als jij mij en ik jou gelijkwaardig acht, hoe zou dat voelen?”

Na een kwartiertje zei hij mij gedag en liep hij de straat uit.

Zeven minuten later stond hij ineens weer in de deuropening. ‘Ik ben iets vergeten! Ik had cheese-cake voor een vriend bij me, maar hij is voor jou.’ Hij opende zijn trommeltje en gaf mij een geweldig brok cake. En weg was hij weer en riep: ‘Ik hoop dat je lekker vindt!’ ‘Hij smaakt fantastisch’, brulde ik met volle mond.

Een gedicht voor opa

Of die boeiende vrijdagavond.

Ik was nog maar net aangekomen, of er stonden drie keurige Marokkaans heren voor de deur. Zeer geïnteresseerd. Ze vroegen honderduit. Het was een erg leuk begin van de avond. En een van hen komt zeker nog een keer terug, zei hij.

Toen kwam er een meisje-met-hond in de deuropening. ‘Mag ik binnenkomen?’ Zij was begin twintig. De hond, een mooie Koningspoedel, kwam stil rechtop naast haar zitten. ‘Wat mag ik voor je doen?’ En floep, daar kwamen de tranen. ‘Opa is overleden vanochtend, eigenlijk nog heel onverwacht. Het is mijn allerliefste opa en ik kan geen woorden vinden om dat te beschrijven, wilt u mij helpen?’

‘Ik moet het eigenlijk dinsdag al hebben! Wilt u het op de mail zetten?’ Ik heb het geschreven en op de mail gezet. Later, na de crematie mailde ze mij: ‘Dank u wel voor het prachtige gedicht. Ik weet zeker dat opa het heel mooi heeft gevonden.’

Gedichten bij de Soepbus

Weer later kwam een vriendelijke en vrolijke meneer uit Syrië (46) aan de deur. ‘Kom d’r maar in.’ Hij vertelde veel en blijmoedig. Een dappere man! Hij vroeg: ‘Kom je straks even naar Soepbus? Ja, ik weet wel, even door zure appel heen bijten, maar best gezellig, hoor.’

Ik verzon wat uitvluchten. ‘Nou, ik wil naar huis, ik ben moe.’ Maar vijf voor negen kwam de Soepbus bij de kerk. Er kwamen vijf, zes, zeven mensen op af. Ik wilde al wegrijden. Toch heb ik de auto weer afgesloten en ben langzaam naar de Soepbus gelopen. Even door zure appel heen bijten, Boudewijn. De vriendelijke, vrolijke man uit Syrië had me al gezien. Hij straalde en stelde mij aan iedereen voor.

Allerlei pluimage, dakloos, aan de zijlijn van de samenleving, maar niet vergeten door vrijwilligers van het Leger Des Heils. Mededogen is dan het woord dat bij me opkomt. En de blijmoedige, vrolijke Syrische meneer zei: ‘Meneer Boudewijn, je moet wel blijven hier, hoor, in Troosthuisje. Straks is het herfst. Dan zijn de mensen verdrietig, worden dagen korter en kouder. Dan kunnen ze bij jou terecht!’

Dat is er helaas niet van gekomen. Maar dit jaar mag ik weer naar ‘mijn’ Troosthuisje aan de Schoenkuipenbrug in Zwolle! Weer in de maanden juli en augustus. Ik ben daar om jou te troosten en te bemoedigen op dinsdag en donderdag van 10:00 – 16:00 uur. Zie ik je daar?

Anne van den Berg

Author Anne van den Berg

Anne van den Berg is geboren en getogen onder de rook van Utrecht, maar vertrok voor haar opleiding journalistiek naar Zwolle. Inmiddels tikt ze bijna tien jaar als import-blauwvinger aan. Ze is betrokken bij dit sociale en betere initiatief, omdat ze gelooft in het goede van de mens. Meer over haar werk vind je op: www.editoranne.nl

More posts by Anne van den Berg

Leave a Reply